Papier; uit de oude doos

De betekenis van bijzondere tekeningen is voor ons ook nog altijd niet erg duidelijk. De jacht- en andere afbeeldingen van dieren zouden heel goed voor magische, culturele of religieuze doeleinden gebruikt kunnen zijn. De mensen krasten of tekenden ze op wanden in grotten in Frankrijk, Noorwegen en Spanje. Zelfs het ontstaan van de gebruikte technieken kan niet met zekerheid gedateerd worden. Gedacht wordt aan omstreeks 4.000 voor Christus. Maar gelet op de onderzochte datering kan dat eigenlijk helemaal niet.

Waarschijnlijk is dat deze manier van beschrijven bij de hoog beschaafde volkeren tot bloei kwam voordat zij het spijkerschrift ontwikkelden. Men gebruikte eerst stenen en later kleitabletten om een boodschap in het spijkerschrift over te brengen. Dat moet ergens tussen de rivieren Eufraat en Tigris geweest zijn. In het land wat we vandaag de dag Irak zouden noemen. In het toenmalige China gebruikte men voor dit doel toen ook al houten delen. Het gewicht van de akten die de keizer dagelijks te lezen kreeg was meer dan tachtig kilogram.

U ziet we schieten door de geschiedenis en daarmee de tijd heen.

Men onderschreef tevens de stelling dat “niets dunner en weker is dan water, maar dat alles wat hard is juist door water wordt aangetast; het zwakke dat het sterke overwint”… een echte Chinese waarheid. Maar dat terzijde.

Ongeveer in dezelfde periode gebruikten de oude Grieken ook houten panelen die met fijn zand waren bestrooid en op die manier het beeld (geschriften of afbeeldingen) prijs gaven. Zo heeft naar verluidt ook de wiskundige en techneut Archimedes zijn formules vastgelegd toen de Romeinen in het jaar 212 zijn geboortestad bezetten. De Romeinen zelf gebruikten in het jaar 500 voor Christus al met was besprenkelde tafels (de beroemde twaalf tafels met wetten) om hun boodschap over te dragen. Dergelijke tafeltjes waren steeds en in ruime mate voorhanden als de senaat vergaderde. Bij deze techniek werd met een griffel of metalen voorwerp een tekst of afbeelding in de voorbewerkte tafels gekrast. Deze techniek zou zeker een grote vlucht genomen hebben als er niet een andere en beter beschrijfbare stof was ontdekt: papyrus. Maar daarover later.

Eerst moeten we het hebben over Perkament: gemaakt van gedroogde huiden van vooral jonge schapen en geiten. Uit bronnen blijkt dat in circa 300 voor Christus in de Klein-Aziatische (nu Turkse) stad Pergamon sprake was van een behoorlijke productie. In Alexandrië (aan de andere kant van de Middellandse Zee) werd in 202 voor Christus zelfs een bibliotheek ingericht met louter perkamentrollen. Het bleek ideaal voor het bewaren van geschreven teksten en zou tot lang na de uitvinding van de boekdrukkunst het meest populaire ‘medium’ blijven.

Papyrus werd grofweg tussen 3.000 voor Christus en 1.000 na Christus gebruikt en geldt nog altijd als een der paradepaardjes van met name Egypte, waar, aan de Nijl, de bakermat van dit materiaal ligt. De farao’s hebben deze plant, die veel water verdraagt en in zich heeft, bewust aangeplant voor dit doel. Het bovenste deel gold als lekkernij en de soms wel een arm dikke stam werd voor verschillende doelen gebruikt. Er werden zo onder meer complete schepen van gebouwd, maar het was dus ook de drager voor boodschappen, wat we vandaag de dag papier zouden noemen. De papyrus werd dun en gelijkmatig in repen gesneden die kruislings over elkaar werden gelegd. Daarna volgde een hamersessie, waarbij de vezels geplet werden, om het eindresultaat vervolgens in de ruim aanwezige zon te laten drogen. Het kleverige sap uit de plant zelf hield de stroken bijeen. Men bewaarde de gedroogde papyrus in rollen; ook vandaag is dat nog gebruikelijk.